Herbeoordeling geldlening bij echtscheiding
In deze zaak was een dga gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder andere de echtelijke woning en aandelen in twee bv’s waarvan de dga enig aandeelhouder en bestuurder was. In 2011 scheidden de dga en zijn vrouw. In het echtscheidingsconvenant stond dat de activa en een klein gedeelte van de hypotheekschuld aan de vrouw werden toebedeeld. De dga hield de aandelen in de twee bv’s. Ook nam de dga een groot deel van de hypothecaire leningen voor zijn rekening, zodat zijn ex-vrouw in de echtelijke woning kon blijven wonen. De leningen waren oorspronkelijk aangegaan voor de verwerving van de woning.
De dga wilde de betaalde rente op de overgenomen leningen in aanmerking nemen als kosten ter verwerving van ab-aandelen. De rechtbank moest bepalen welk deel van de overgenomen schulden kon worden toegerekend aan de toegedeelde ab-aandelen. De rechtbank stelde dat er aanvankelijk geen causaal verband was tussen de hypothecaire leningen en de ab-aandelen, maar dit causale verband kon alsnog zijn ontstaan door de verdeling van de huwelijksgemeenschap als gevolg van de echtscheiding. Als de dga alleen het aanmerkelijk belang zou hebben verkregen, zou hij zijn overbedeeld en zou hij een schuld aan zijn ex-echtgenote hebben gehad. En als hij vervolgens bij een bank geld zou hebben geleend om de schuld aan zijn ex-vrouw te voldoen, zou die schuld kwalificeren als schuld voor behoud van het aanmerkelijk belang. Daarom kon de betaalde rente in principe worden toegerekend aan de ab-aandelen. Wel oordeelde de rechter dat, als gevolg van de totale verdeling, de betaalde rente niet volledig toerekenbaar was aan het aandelenpakket.
Bron: Rb. Gelderland, 11-02-2019

De instantie is in opspraak geraakt door onder meer fouten bij uitkeringen, conflicten tussen hoger en lager personeel en ruzie over ict-vernieuwing.
De voornaamste reden voor het invoeren van deze maatregel is het tegengaan van belastinguitstel en -afstel door ab-houders. Door overtollige gelden als lening aan de eigen vennootschap te onttrekken in plaats van als dividend of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Het kabinet sluit met dit wetsvoorstel de belastingheffing aan op het beschikkingsmoment van deze gelden.
De voor 18 maart aangekondigde stakingen treffen volgens de werkgeversvoorzitters vooral de ondernemers die geen enkele invloed hebben op het kabinetsbeleid en de AOW-leeftijd. Volgens de werkgevers hebben de vakbonden in november een unieke mogelijkheid laten liggen om voor ouderen indexering weer mogelijk te maken, én jongeren de zekerheid van een goed pensioen te geven. Het laatste brandende punt was de AOW-leeftijd. Maar dat is iets waar ondernemers geen enkele invloed op hebben aangezien dat kabinetsbeleid is.
Een Nederlandse broodbakker kocht meel in bij een Belgische groothandel. De Belgische belastingdienst ontdekte dat deze groothandel een schaduwboekhouding voerde, wat er uiteindelijk toe leidde dat aan de Nederlandse broodbakker navorderingsaanslagen inkomstenbelasting werden opgelegd. Volgens de inspecteur had de broodbakker namelijk zwart meel ingekocht bij de Belgische groothandel en dit meel vervolgens gebruikt voor omzet die niet was opgegeven.
In deze zaak was een Nederlander in loondienst werkzaam voor een Nederlandse bv. De man werkte in de jaren 2011 tot en met 2014 onder meer op de territoriale wateren van Frans-Guyana. Omdat Frankrijk belasting mocht heffen over het loon voor de arbeid in Frans-Guyana, moest Nederland deze werknemer een voorkoming van dubbele belasting verlenen. In dergelijke gevallen is de hoogte van de betreffende voorkoming afhankelijk van het aantal dagen dat de man in het buitenland heeft gewerkt. De inspecteur telde de reisdagen voor de helft mee, maar de rechtbank constateerde dat de bv de reisdagen – waarop de man in Frans-Guyana aankwam of vanuit Frans-Guyana vertrok – gewoon doorbetaalde. Daarom oordeelde de rechtbank dat de man ook op de reisdagen werkzaam was in Frans-Guyana en dat de reisdagen volledig moesten meetellen bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting.
Na maanden van daling liep de rente in februari 2019 weer iets op en ook de aandelenbeurzen noteerden goede rendementen.
Het gaat om compensatie van de transitievergoeding die de werkgevers hebben betaald als zij vanaf 1 juli 2015 een langdurig arbeidsongeschikte werknemer hebben ontslagen. De Wet arbeidsmarkt in balans (WAB), die nog in behandeling is bij de Eerste Kamer, bepaalt dat de arbeidsongeschiktheid wel ten minste twee jaar moet hebben geduurd. Vanaf 1 april 2020 kunnen aanvragen worden ingediend. Is de vergoeding in de periode 1 juli 2015 tot en met 31 maart 2020 betaald, dan moet de aanvraag voor 1 oktober 2020 worden ingediend. Aanvragen voor de vergoedingen betaald vanaf 1 april 2020 moeten worden ingediend binnen zes maanden na betaling. Bepalend hiervoor is het moment dat de vergoeding is afgeschreven van de rekening van de werkgever. Aanvragen die te vroeg of te laat worden ingediend worden afgewezen. Als binnen de aanvraagtermijn een incomplete aanvraag is ingediend en die aanvraag na afloop van de aanvraagtermijn, maar binnen de door UWV gestelde hersteltermijn wordt aangevuld, is sprake van een tijdig ingediende aanvraag.
Een uitzendbedrijf is in 2014 onder meer ingedeeld in sector 1 (Agrarisch bedrijf). Zij werft in 2014 214 buitenlandse uitzendkrachten en leent hen uit om onder leiding en toezicht in de met haar verbonden bv werkzaamheden te verrichten in de aspergeproductie. Het uitzendbedrijf sluit met de werknemers een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding en zonder loonbetalingsverplichtingen voor de duur van een jaar. De overeenkomst eindigt van rechtswege na een jaar vanaf de datum waarop de uitzendovereenkomst is gesloten of op het moment dat de uitzendkracht na het seizoen terugkeert naar het woonland en niet terugkeert naar Nederland. In de ‘bevestiging van uitzending’ is vermeld dat de uitzendkracht gedurende het aspergeseizoen in de functie van seizoenarbeider gedurende maximaal 6 maanden voor de bv werkt. Over het loon van de uitzendkrachten draagt het uitzendbedrijf de lage sectorpremie af behorend bij sector 1. Geen van de uitzendkrachten is een volledig jaar in dienst bij het uitzendbedrijf. De inspecteur legt een naheffingsaanslag over 2014 op, omdat de hoge sectorpremie Agrarisch bedrijf volgens hem van toepassing is. In geschil is het antwoord op de vraag of het uitzendbedrijf terecht de lage sectorpremie heeft toegepast. In sector 1. is een hoog of een laag premiepercentage van toepassing. Het lage sectorpremiepercentage is van toepassing op werknemers die op grond van een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of onbepaalde tijd in dienstbetrekking met de werkgever zullen staan, tenzij:
Hays constateert in januari een stijging van 18% ten opzichte van de maand ervoor. Ook vorig jaar was januari een piekmaand. Het aantal sollicitaties was in 2019 echter 13% hoger dan in januari 2018. Hieruit blijkt dat meer mensen wisselen van baan in deze toch al krappe arbeidsmarkt.